bij het scheepvaartmuseum

bij het scheepvaartmuseum
Als schipper van het V.O.C. schip de Amsterdam

woensdag 17 december 2014

Julbord 2014




Wat veel van mijn lezers niet zullen weten is dat wij hier op het “platteland” niet uit eten kunnen in een sfeervolle ambiance. Sfeervolle restaurantjes zijn er gewoon niet, daarvoor moet je naar de stad en die is niet bepaald naast de deur.
Het zal zo midden november geweest zijn dat Gon en ik weer onze knagende verschijnselen voelden opkomen, die alleen maar bevredigd konden worden door een goede Västerbotten schnitzel. Die kun je bijvoorbeeld eten over de grens van Lappland bij het eethuisje van Alibaba.
Alibaba komt uit Libanon, hij is daar al wel zo’n 40 jaar geleden vandaan vertrokken.
Met hem bespreek ik altijd de toestand in de wereld en ook de situatie op lokaal gebied. We doen dit in een mix van Duits, Frans en Zweeds. In ons laatste gesprek hadden wij het over de boulevard van Beiroet met zijn vele eethuisjes aan het strand. Daar waar men verse tabouleh serveert. Hij hoorde Gon zeggen: “Oh heerlijk, dat mis ik nu zo hier!”
“Geen probleem, ik haal de tabouleh naar hier. Het zal voor jullie een julbord* worden hier in mijn kleine eetpaleis. Ik bel je wanneer ik jullie verwacht.” 
Dit werd de avond van 15 december j.l. De vensterbank in kerstsfeer en de tafel eenvoudig gedekt mét een waxinelichtje. 




Het voorgerecht, de tabouleh, was uitermate goed evenals de tournedos en de wijn uit zijn privé kelder. Jammer dat je altijd weer naar huis moet rijden. Volgend jaar maar met de arrenslee als wij een gepensioneerd rendier vinden.

Familie Alibaba bedankt voor het goede Julbord!

* Julbord = kerstbuffet, kerstmaaltijd. 

De naam Alibaba is fictief. Degene die weet waar wij gegeten hebben mag dat naar mij mailen, het adres vind je in de rechter kolom. Bij meerdere goede oplossingen verloot ik een etentje voor twee bij Alibaba samen met Gon en mij. 
Het maakt niet uit of je in Zweden woont of in een ander land (en hier met vakantie komt).

Als je een echt Zweden fan bent kun je alvast in kerststemming komen met het prachtige nummer "Julens tid är här", dat ik rechtsboven heb geplaatst. 

Recht zo die gaat!
F.L.Woodleg


maandag 15 december 2014

Schin op Geul


Nagekomen op het bericht Clatterbridge Hospital.
Ik heb er vorige week, toen ik het bericht schreef, voor gekozen het niet te vertellen, maar nu mij in een reactie en diverse mails gevraagd werd hoe het met de bootsman is afgelopen, zal ik er dan nu op antwoorden.

Wel lezers en vraagstellers de bootsman heeft uiteindelijk gekozen voor euthanasie. 
Dit is onder begeleiding gedaan twee jaar na het ongeval. 
Deze twee jaar hadden in het teken gestaan van revalideren met een van de eerste kunsthanden aangestuurd met elektroden. Hij heeft enkele dagen gevaren op een  havensleepboot welke men zoveel mogelijk had proberen aan te passen. In de haven van Amsterdam werd dit een desillusie, evenals het werken bij een inpakafdeling van een chocoladefabriek. 
Dit laatste was mede bedoeld als training, maar het was niet te doen met twee kunstarmen.
Iedere keer als hij om hulp moest vragen, vond hij dit een vernedering.

Dan word je uitgenodigd om naar Schin op Geul te komen en zit je later samen aan de bar in zijn stamcafé, hij met een aangepaste onderarm met een houder voor een kleintje pils en ik met een linker onderbeen waar een fles drank of een slof sigaretten in kon.
Op een gegeven moment zei hij: “Piet, overmorgen ga ik aanmonsteren op de Almacht”. Je laat beiden een traan en je zegt tegen elkaar: “In ons beider monsterboekje komt zij te staan, ons laatste schip de “Almacht” van de Never-come-back-line. Proost!”

Nog niet eerder hoorde ik de liederen De fles van Jan Boezeroen en Heimatlos van Freddy Quinn zo zuiver gezongen als bij de afscheidsdienst van Hermann. Gezongen door het kerkkoor onder leiding van meneer pastoor met ondersteuning van het kerkorgel.
Na de uitvaartdienst en de begrafenis vertelde meneer pastoor mij in Hermann zijn stamcafé dat het koor het met zeer veel liefde had gezongen tijdens de dienst van bootsman Hermann. De kastelein vulde nog maar eens de glazen en uit de jukebox klonk de stem van Jan Boezeroen. Die nacht heb ik doorgebracht in de pastorie van Schin op Geul.


Recht zo die gaat!
F.L.Woodleg


maandag 8 december 2014

Clatterbridge hospital na het ongeluk



Nabij het ziekenhuis van Liverpool

We schrijven zomer 1971. Studie afgerond en al even als stuurman op de zeesleepvaart. We waren met zes zeeslepers een boorplatform op z’n plaats aan het zetten in de Ierse Zee.
Zoals de foto al laat zien heb ik een ongeluk gehad met een niet al te leuke afloop. Een splinternieuwe sleepkabel die brak.
Je wordt, samen met de bootsman die zijn beide onderarmen verloor, in een helikopter  gehesen. De kok was mij nog even behulpzaam door mijn afgerukte onderbeen in een schoon laken te wikkelen, zodat ik deze bij aankomst in een ziekenhuis aan de arts kon geven met de vraag of het er weer aan gezet kon worden. Later was het antwoord van de chirurg: “Nee, dat gooien we weg.” De bootsman en ik hadden wel de primeur, we waren de eerste patiënten die per helikopter naar het Clatterbridge Hospital nabij Liverpool waren gekomen. Het helikopterveld was pas een week oud. Zonder te wachten gingen we de operatiekamer binnen. Gek dat ik nog weet dat het kwart over twee was, de klok hing boven de deur. Toen ik later die avond bijkwam, zag ik de bootsman naast mij liggen. Tussen onze bedden zaten broeder John en zuster Mandy.  Om onze bedden had men een gordijn getrokken en ik kreeg een kop thee van John, nou die ging er wel in. Ik vroeg aan zuster Mandy hoe het met de boots ging maar hij gaf zelf antwoord: “Stuur, ik zal nooit meer een biertje vast kunnen houden en dan word je stil want ik had nog het gevoel dat mijn onderbeen weer was teruggezet. Bij het bed verschonen zag ik dat dit niet het geval was en ik zag ook dat wij op een zaal lagen met 28 man.

Door Ds Jan Sap van de Hollandse gemeente in Liverpool werden wij in contact gebracht met twee dames die beiden een winkel hadden. De ene (foto boven) in kinderkleding, de andere in damesmode,  beiden uit Heswall Hills. De laatste heeft voor ons voor kleding en nachtgoed gezorgd, want na het ongeluk was er geen tijd om wat uit onze hutten te halen.
De bootsman ging na twee weken terug naar Schin op Geul en had het zeer moeilijk. Zelf ben ik daar drie maanden gebleven, tot eind oktober. Ik had daar iemand leren kennen waarmee ik in de weekenden een biertje ging drinken en Fish & chips met een steak and kidney pie ging eten.
Doordeweeks revalideren en ‘s avonds onder begeleiding naar de pub van het ziekenhuis als er een nurse was die mij wilde meenemen. Deze bar was gescheiden, een voor doktoren en staf (deze was duurder) en een voor keukenpersoneel en verplegend personeel. Maar in beide waren chips and peanuts hetzelfde geprijsd.

Na drie maanden dus terug naar Nederland waar november en december 1971 in het teken stonden van bezoeken aan de VU in Amsterdam Buitenveldert om te revalideren en aan de firma Franssen aan de Overtoom in Amsterdam voor een prothese. Mijn sinterklaascadeau was een kunstbeen, de linker broekspijp was weer gevuld maar het liep nog voor geen meter.
Dan maar de krukken er bij en op naar mijn stamcafé’s voor een alcoholversnapering tegen sluitingstijd. Van de laatste liep ik zonder krukken naar huis en de volgende morgen werd het uitstapje afgestraft met pijn in mijn hoofd en het lopen ging weer niet. Dit werd me in januari en februari 1972 wel bijgebracht door juffrouw  Ogtrop van de VU.

In maart kreeg ik mijn monsterboekje* (zeemansboek) terug, op iedere bladzijde was in rood gestempeld “INVALID”. 
Daar ging mijn toekomst,  want ja, de zeeman moet gezond zijn van lijf en ledematen volgens het Verdrag van Genève d.d. 25 oktober 1921 (Artikel 451b Wetboek van Koophandel).
Zelf kreeg ik de Medisch Adviseur van de Scheepvaartinspectie niet op andere gedachten.
Ik vertelde hem dat Peter Stuyvesant (1612-1672) zelfs met een houten poot de wereldzeeën bevaren had. De mijne kreeg ik in 1973 en die liep stukken beter op een slingerend en stampend schip dan een prothese.





Geen boot voor mij dus met de Nederlandse vlag, dan maar onder een andere vlag, het werd de sleepboot Piranha met Limasol op het achterschip, zij lag aan steiger 9 achter het Centraal Station van Amsterdam. Met de hand geschreven stond op een stuk karton van een lege bierdoos ‘Looking for crew’. Ik ging maar eens vragen waar de reis naartoe ging en of er een kok nodig was. Dat was niet het geval. De eigenaar vroeg welke ervaring ik had en ik liet hem mijn afgestempelde monsterboekje zien. Op bladzijde 8 las hij welke diploma’s ik had. In de Cypriotische scheepvaart kende men niet de wetten zoals men die bij ons kent.
De eigenaar sprak me toe: “Kapitein, hier staat de telefoon, als u er nog twee machinisten en een stuurman als bemanning bij zoekt,  dan kunt u volgende week na geproviandeerd te zijn naar Port Gentil in Gabon (West Afrika). Meer bemanning krijgt u niet,  koken doet u maar met elkaar, de voeding is voor mijn rekening. In Dakar - Senegal gaat u bunkeren en bij provianderen.”
De sleep was een leeg werkponton voor de oliewinningen in de golf van Guinea, dus geen moeilijke sleep. De terugreis een ponton met boomstammen, Afrikaans hardhout voor de firma Fijnhout in Amsterdam.

Begin 1973 had professor Dubbelman, hoofd revalidatie van de VU, kans gezien om de Medisch Adviseur van de Scheepvaartinspectie op andere gedachten te brengen. En zo mocht ik mij naar de Scheepvaartinspectie in Den Haag spoeden voor een nieuw geldig monsterboekje dat men mij verstrekte met de mondelinge waarschuwing: “Ik wil u niet op tankers en sleepboten gemonsterd zien staan.” Hiermee kon ik leven, tankvaart heeft mij nooit aangetrokken en naast sleepboten waren er tal van andere schepen onder Nederlandse vlag met een wereldwijd vaargebied.
Mooier kon niet als 24-jarige met één poot.




* Monsterboekje: Hierin staan gegevens als: diploma’s, burgerlijke staat van de houder, aanmonstering en beëindiging van dienst aan boord, geneeskundige verklaring ogen, oren, lichamelijk. Met natuurlijk een pasfoto en een afdruk van de rechterwijsvinger.
Hoe zou kapitein “Goldfinger” dit gedaan hebben, hij was de vingers van zijn rechterhand kwijt.



Recht zo die gaat!

F.L.Woodleg



donderdag 27 november 2014

Adriana

De Stichting Historie van Ruinen heeft nooit iets met mijn schrijven gedaan, vond het zeker niet bij de historie van Ruinen passen. Dan maar langs deze weg informatie over m.s. Adriana, het zeeschip dat Ruinen als thuishaven had. De plaatsnaam Ruinen dus op haar achterschip (1954 – 1970).




In mijn mijmering in het voorjaar van 2014 liet ik weten dat ik terug zou komen met een verhaal over m.s. Adriana met als thuishaven Ruinen. In het voorjaar van 2014 was ik ineens wat werkeloos geworden. De bomen uit ons eigen bos welke door de stormen van het najaar van 2013 waren omgevallen en door Clas en Anders uit het bos waren gehaald, lagen in stukjes van 45 cm gezaagd. Helaas kon ik niet helpen (niet staan en lopen) en heeft Gonny ze gekloofd en weggewerkt, vandaar mijn werkeloosheid. Dit gaf me meer tijd om achter de computer door te brengen en zo vond ik een onderwerp, n.l. “vreemde thuishavens van zeeschepen” , en al gauw zag ik de kustvaarder Adriana voorbijkomen. 
Ik herkende dit schip uit mijn matrozentijd op de kleine handelsvaart. Daar zag ik haar toen regelmatig de Theems af komen varen met een deklast in balen geperst oud papier die men in diverse kreken en plaatsen langs de Theems kon laden voor Amsterdam. Lossen in het Westerdok. Zelf heb ik ook een jaar op kleine kustvaarders als Tarzan, Spirit en Globe (stoere namen*) gevaren als matroos/kok, ze waren zeer geschikt om ver landinwaarts te gaan. 
Ik denk bijvoorbeeld aan Engeland - Norwich aan de rivier the Yar met de pub The Ferry Inn met blonde Vera als lady bartender. Zij leerde me hoe ik een Engels ontbijt moest maken. Ierland – Ballina, waar de loods tot in 1975 nog met een roeiboot aan boord gebracht werd en Frankrijk - Parijs aan de Seine. Bij donker werd er tussen Rouen en Parijs (ca.190 mijl) op de Seine niet gevaren, men bracht de nacht door in de sluis waar de loods zijn vrouw of vriendin het café beheerde, waar de bakker in de ochtend warm stokbrood aan boord bracht en waarna de reis werd vervolgd.
In Frankrijk ging men ook de Rhône op tot voorbij Lyon (ca.170 mijl). Maar ook in Nederland kon men ver landinwaarts, bijvoorbeeld naar Meppel, Steenwijk, Grou, Roermond met het café van zwarte Bep, Utrecht, Veghel met een kroeg met de naam “De zeven sneetjes”. Deze naam verwees naar de zeven animeerdames aan de bar.



Het schip heeft ook nog de naam Zijpe gehad.

De kustvaarder m.s. Adriana had dus als thuishaven Ruinen (Drenthe) aan de Ruinder Aa welke zich door het Drentse landschap meandert om uit te monden in het Meppelerdiep. De Adriana was aangekocht in 1954 door kapitein/eigenaar F.A. Franssen uit de gemeente Ruinen. 
Men kan iedere willekeurig plaats in Nederland als thuishaven kiezen voor zijn zeebrief (= paspoort van een schip), als de rederij of eigenaar van het schip maar aan die gemeente gebonden is. Schepen van Shell hadden bijvoorbeeld ‘s Gravenhage als thuishaven. Het hoeft dus geen zeehaven te zijn. 
De Adriana: International Call Sign** PCDV, spreek uit als: Papa Charlie Delta Victor, had een lengte van 38 meter, een laadvermogen van 300 ton, motor vermogen 150 pk geleverd door een Humboldt Deutz, snelheid 7,5 mijl per uur in ballast***. 
De bemanning bestond uit kapitein, stuurman, matroos/kok, matroos/motorman. Zo’n schip had een beperkt vaargebied, nl. Noord- en Oostzee en mocht niet buiten dit gebied komen. Ging men toch buiten dit gebied, dan behoorde daar volgens de scheepvaartwet tevens een machinist, een kok en een derde matroos aangemonsterd te zijn. In 1970 verkocht Franssen de Adriana aan twee kennissen van mij. Zij hebben de Adriana laten verbouwen en aangepast tot een sportvissersvaartuig met als vertrekhaven Vlaardingen om vandaar uit naar de visgronden voor Hoek van Holland op de Noordzee te varen en natuurlijk hun inkomen er uit te halen. Ze is op 11 maart 1976 betrokken geraakt bij een aanvaring en gezonken nabij Hoek van Holland. Deze plek is jarenlang gemarkeerd geweest door een wrakboei met de naam Adriana, haar laatste thuishaven was Stellendam.
Veel van deze zeer oude kustvaarders ook wel Wad en Sontvaarders genaamd, met een laadvermogen van 250 tot 450 ton en met een motorvermogen van 120 tot 300 pk (Brons, Werkspoor, Humboldt Deutz) waren gebouwd ver voor de Tweede Wereldoorlog op scheepswerven in Groningen, Drenthe en aan de Friese IJsselmeerkusten, zelfs in Haarlem en Spaarndam (de Rietpol). In de jaren 1969-1972 zijn er veel gesloopt, mogelijk tot conservenblikken gemaakt of in de sportvisserij terechtgekomen. Een enkele werd in gebruik genomen als varend woonschip wanneer de hoofdmotor nog in goede staat verkeerde, zoals de Gazelle die in het Oostelijk havengebied van Amsterdam ligt. 
Kijkt men rond in Nederland, dan ziet men nog steeds verschillende van deze schepen liggen. Soms heeft een scheepvaartmuseum zich erover ontfermd om het te tonen aan het nageslacht.


Uit de turfschippersfamilies in Drenthe zijn een aantal van hun zonen de zee opgegaan toen de turf op was. Ze probeerden in de Wad en Sontvaart of in de kustvaart hun geluk en geld te verdienen en zo kregen plaatsen als Gasselte, Gasselte-Nijveen, Beilen, Valthe, Norg, Buinen en Meppel zelfs meerdere schepen van de familie Kuipers en Brouwer als thuishaven met een Drentse plaatsnaam op hun achterschip. 
Tegenwoordig varen er nog zeeschepen rond met als thuishavens Beilen, Buinen en Meppel. Bij scheepswerf de Kaap in Meppel bouwt men nu zelfs nog schepen voor de kleine handelsvaart. Een laadvermogen van 1500-3000 ton en met een lage kruiplijn zodat ze nog steeds ver landinwaarts kunnen.

De Meppel komende vanaf zee onderweg naar Norwich - Engeland.


Thuishaven Meppel. Foto gemaakt tussen Zwartsluis en Meppel (Meppelerdiep).


Thuishaven Buinen


In Emmen zetelde vennootschappen Rederij Noordlijn-Equator (1978-1988) met zeer mooie en snelle schepen, twaalf stuks in totaal, met een wereldwijd vaargebied. Voor deze club mocht ik acht jaar de zeeën bevaren.
Van deze twaalf schepen had alleen de m.s. Altappen Emmen als thuishaven (daar zal wel de grootste vennoot gewoond hebben). 
In 1988 hadden de gezamenlijke vennoten hun geld verdiend aan deze schepen. De C.V.'s/B.V.'s gingen failliet en de bemanning kon via de vakbond en de rechtbank zijn gage tegoeden (loon) opvorderen. Zo ging het ook al in tijden van de V.O.C. (1602 – 1699). De eigenlijk Nederlandse rederij mentaliteit is nooit veranderd in de laatste 420 jaar. 
De Nederlandse scheepsbouw is nog steeds wereldwijd toonaangevend met haar ontwerpen van speciale vaartuigen. 
De rederijen en hun management laten het flink afweten, ze zijn nog steeds op zoek en vinden ook nog steeds het goedkope buitenlandse personeel. Hoe zou u het vinden om als enige Nederlander tussen tien of twaalf buitenlandse werknemers te moeten verblijven, 4 tot 8 maanden op een oppervlakte van 2000 vierkante meter en waarvan de meerderheid geen Engels spreekt?










*Over deze drie schepen komt ook een verhaal op deze blog van F.L.Woodleg.

**Call Sign = roepnaam van een schip die gebruikt werd in verkeerslijsten die werden uitgezonden door radiostations voor de scheepvaart. Voor Nederland was dit Scheveningen Radio, die haar laatste uitzending had op 31 december 1999 om 16.00 uur Nederlandse tijd. Het bericht had als tekst “Wij wensen u en uw bemanning een behouden vaart”.
De laatste zendmast werd op 30 oktober 2014 ontmanteld.

***Ballast, leeg schip met water in de ballasttanks (een goede smokkelplek als ze leeg waren).


Recht zo die gaat!
F.L.Woodleg


dinsdag 18 november 2014

Hoe de naam F.L.Woodleg in de wereld kwam


De naam F.L.Woodleg vindt zijn oorsprong in een telefoongesprek uit 1982 via Scheveningen Radio aan boord van de m.s. Susanna (call sign “P.E.G.D.”) op de Saint Lawrence river in Canada.
Door een fout in de machinekamer had men de verkeerde tank leeggepompt, zodat het schip zonder drinkwater zat. Dit hield o.a. in dat de kok niet kon koken. We hadden nog tien dagen te varen naar Manchester aan het Manchester Ship Canel en bevonden ons ter hoogte van het Franse eiland Saint-Pierre gelegen onder Newfoundland.


m.s. Susanna afgemeerd te Delfzijl vlak voor haar "maidentrip" (eerste reis van een zeeschip of luchtvaartuig).


Ik belde de rederij en legde uit dat ik Saint-Pierre wilde binnenlopen om drinkwater in te nemen. De directeur had intussen het gesprek overgenomen van het hoofd bevrachting en hij vond het de Fucking Limit wat er aan boord was gebeurd en waar ik de moed vandaan haalde om Saint-Pierre aan te lopen voor drinkwater.
Ik vroeg hem netjes of hij de betekenis van de woorden Fucking Limit wel wist. Daarna vertelde ik dat Saint-Pierre de dichtstbijzijnde haven was en dat het schip binnen 12 uur weer op koers kon liggen naar Manchester zodat dit hem geen vrachtpennies zou kosten. Van de directeur, een Groninger geboren in Delfzijl, begreep ik wel dat hij de betekenis van de woorden Fucking Limit niet wist en ik zou het hem bij mijn eerstkomende bezoek aan het kantoor in Emmen uitleggen. 
Dan mocht hij mij uitleggen waarom de havenrekeningen betreffende een ander schip van de rederij, dat ooit Saint-Pierre was binnengelopen met een lading hout die was gaan schuiven, nog niet betaald waren. Het was wel in zijn voordeel dat ieder schip een aparte CV/BV was, want anders had men ons aan de ketting gelegd*.
Vanaf die dag werd al mijn correspondentie aan die rederij ondertekend met F.L.Woodleg.

* Beslag leggen op een schip

Recht zo die gaat!

F.L.Woodleg

dinsdag 25 maart 2014

De telegraaf op stop


Graag wil ik degenen die gereageerd hebben op mijn laatste mijmering bedanken, ook die 136 die ook de moeite namen om te lezen maar die niet gereageerd hebben. Voor mij is de tijd weer aangebroken om te zorgen dat er weer brandhout in de houthokken komt, zodat de houtketel ook in de winter van 2017/2018 weer zijn warmte kan afgeven. 
Hieronder de maatjes die mij daarbij helpen in de zomer: 


De leverancier

De quad (en kloofmachine)

De zaagmachine

De kloofmachine

Onder toeziend oog van Rushy

Meesteres hout stapelen Gon

En daarna een lekker pilsje

Natuurlijk kun je ook 10, 15 of 20 kuub gekloofd hout laten komen, maar ik vind dit leuk!

De scheepstelegraaf gaat eind van deze maand definitief op stop voor mij, blijft over de mijmeringen aan deze zware maar toch mooie tijd.  Nu komt er voldoende tijd voor een glas uit een fles van Remy Martin op de vrijdagavond. 
Tijd voor de muziek van Freddie Quinn en Jan Boezeroen, alleen bij het draaien van laatstgenoemde zal Pietje door Gon verbannen worden naar een leeg hok in het bos en daar is geen elektriciteit.
Frans mag ik niet vergeten, mijn studiegenoot die mij regelmatig de mooiste afbeeldingen van schepen stuurt en ook zijn vrouw Bea niet die er steeds weer voor zorgt dat onze kennissen in Hoting gerookte makreel krijgen uit IJmuiden.

Verplaatsen boorplatform

Tot in de herfst…



Recht zo die gaat! *
F.L.Woodleg


*scheepsuitdrukking als het schip op koers ligt


vrijdag 21 maart 2014

Manneke, Flip, Björn, Bartje...


Manneke, Flip, Björn, Bartje en het zilveren vaasje met de plastic roos van bootsman Hugo R.I.P.

Ik had jullie HIER (klik) beloofd dat ik weer zou schrijven als de arrenslee een paard zou hebben. Tot op heden is er nog geen paard. 

Ik begin maar met een aantal dingen die in mijn zeemansloopbaan een betekenis hadden.
Zo was er het zilveren vaasje met de rode plastic roos en het bijbehorende rode tafelkleedje met afbeeldingen van zeemansknopen gekocht door de bootsman in een Flying Angel (Engelse zeemanshuizen). Deze zeemanshuizen werden vaak bezocht als de bemanning even naar huis wilde bellen voor ze de havenkwartieren in gingen.

Bootsman Hugo ging nooit lopend of met een taxi naar deze kwartieren, maar altijd op zijn transportfiets die de kleur mastgeel had. 
De remmen en het kettingwerk werden altijd door de 2e machinist verzorgd, zodat deze altijd een ritje voorop had naar het kwartier.
In de havenplaats Caracas (Venezuela) kreeg de bootsman een zwaar verkeersongeval, hij was even de stad in gegaan om ijs voor de bemanning te halen. De kapitein en de kok kwamen aan het begin van de avond terug aan boord en vertelden dat Hugo Nederland nooit meer zou zien, we mochten in groepjes van vier een bezoek aan hem brengen en bij dit bezoek vroeg hij mij: “Pietje, zeun, zorg ervoor dat de vaas met de roos en het kleedje bij Bobeltje komen.” 
Bobeltje was zijn vriendin in Singapore. Zijn fiets is samen met hem begraven in Caracas. 

In Singapore meerde ik pas vele jaren later af, zeker zo'n 14 jaar later als kapitein van de Thomas de Gauwdief, een bevoorradingsschip. Na wat zoekwerk en een glas bier vond ik Bobeltje. Ze had nu een etablissement met dames. Ik gaf haar de spullen met een foto van Hugo, zij moest even nadenken, keek me aan en zei: “Yes, the sailor with the betjak! You must be Pietje!”
Ik vertelde haar het verhaal van Caracas en het kleedje werd uitgevouwen naast haar kasboek. De vaas met roos en de foto werden erbij gezet en de volgende ochtend zag ik dat er een kaars bij de foto brandde en ze vertelde mij dat zij de spullen mee zou nemen in haar graf: “Yugo was the best of all my lovers”.

Thomas de Gauwdief

Ik reed terug op mijn mastgele Vespa. Bootsman Daan zat al bij de gangway te wachten en over zijn schouder brulde hij naar de kok: “Die Ouwe* heeft alweer het stokbrood vergeten, dan moeten wij wel de wal op vanavond.” Men had al een begin gemaakt met het laden van generatoren en proviand bestemd voor Port-aux-Français op de Kerguelen. Twee dagen later werd er koers gezet naar dit vergeten oord in de Indische Oceaan op 49°20’ZB   069°20’OL.
Zoals gewoonlijk op de eerste dag op zee kwam de kok ‘s avonds op de brug met de vraag: “Gaat u daar ook de wal op om stokbrood te kopen?” Mijn vaste antwoord was dan: “Als ik 24 uur voor aankomst mijn sorbet met vers fruit en slagroom krijg.” Ik hoorde hem al mompelend naar de uitkijk lopen: “Die ouwe wordt toch echt vergeetachtig.”
* De bemanning onder elkaar noemt de kapitein altijd gewoonweg "die Ouwe".

Manneke even bij Bartje gezet. Wat zal Bartje denken?


In maart 1970 kreeg ik van mijn moeder Manneke uit Brussel, zij vond hem toen goed bij mij passen. Manneke heeft zijn verdere bestaan in mijn nabijheid doorgebracht aan boord van schepen en later aan de wal op mijn werktafel, zodat hij altijd kon zien wat ik deed. Ik heb ook veel met hem gesproken, maar ja wij zijn dan ook al 44 jaar bij elkaar. In een van die gesprekken heb ik hem gevraagd of hij op mijn grafkist wil staan en dat wil hij zeer graag als hij dan ook maar wel samen met mij in de urn mag. Hij kijkt nu op mij neer vanuit het hoge raamkozijn in mijn werkkamer. Zo nu en dan draai ik hem om, dan mag hij naar buiten kijken. Ik vraag dan wel eens aan hem: “Wie zal jou op de kist zetten?”

Zijn vriendje Flip kreeg ik van Gon haar moeder, deze heeft een wat rustiger bestaan, hij staat in Oosterwolde. Hij zit in een kokosnoot wat ook weer verwijst naar een aantal zeemijlen.

Manneke, Bartje en Björn.

Björn is in 2009 gevonden tijdens een autorit in Zweden, dat kun je HIER (klik) nog lezen. Hij speelt nu de doerak tussen de andere beren en ziet niet het gevaar als hij zijn been weer eens in de oude koffiemolen doet. Ik heb hem er al meerdere keren op aangesproken, maar zijn antwoord is steeds: “Jij loopt toch ook met een houten poot!”
Ja, en dan Bartje, hij staat bij de beertjes en zat in een verhuisdoos met meerdere spullen uit de woonark van Gon haar ouders. Bartje komt van oorsprong uit een gebied ten noordoosten van Assen en hij bidt niet voor bruine bonen. Als ik hem zo zie staan dan dwalen mijn gedachten vaak af naar Drenthe en zie dan de landweggetjes in en om Ruinen, Armweide en Hees. Ook Ansen en Dwingeloo met boerderijen waar het paard nog het werk deed en de boer heel voorzichtig aan een melkmachine dacht en zijn zoon aan een tractor met ploeg. Als ik nu na 50 jaar door dat gebied rijd zie ik nog veel van diezelfde boerderijen staan, maar er woont geen boer. Er wonen westerlingen met een paar paarden en vaak met een bord in de tuin met de tekst “te koop”.
Mijn vaders boerderij in de Westerstraat nr. 22 heeft in de afgelopen 50 jaar ook een aantal metamorfoses ondergaan.
Eerst als een zomerpension. Daarna werd het de winkel van Henk Bralten en daarna de kledingzaak van Roel Bekelaar. Hij vertelde mij in het najaar van 2013 dat zijn dochter er per 1 januari 2014 een kapperszaak in zou beginnen. Nou dan laten wij ons haar en baard daar maar eens knippen. Kapper Kuiper is ook al lang weg.
De boeren zijn in de ruilverkaveling gegaan, grote stukken land aan elkaar, nieuwe stallen met 60 tot 200 koeien of meer. Melkrobots, twee of drie tractoren, een los woonhuis met een moderne keuken met een vaatwasser voor de boerin, als deze tenminste al geen baan heeft buiten de boerderij. Door deze veranderingen zag ik de kruidenier uit de dorpen verdwijnen. Jans Prikke en Bakker Blanken uit Ansen, Bakker Luning van de Ruinderdijk. Het café aldaar verdween ook. Laten we hopen dat Bakker Arend Jan Steenbergen in Ruinen nog blijft bakken, hij zal misschien al wel een opvolger hebben. De supermarkt heeft ook een bankethoek, maar ja een verse taart of speculaas zal toch lekkerder zijn van de warme bakker. De smederijen van Jan de Wit en Grote Nijstad zijn ook al verdwenen. Garage Horlings op de brink gesloten. Maar café Hees is er altijd nog en café Luning ook, dit is een goed restaurant geworden. Had je daar gegeten dan werd je voor vol aangezien bij het bedrijfsleven in de Randstad.



Maar goed beste mensen het is 21 maart en gisteren stond de zon in haar schijnbaar jaarlijkse baan in het punt Aries (Ram), hij passeerde de hemelequator en staat nu op het noordelijk halfrond tot 23 september, dan staat hij in het punt Weegschaal. Als hij dat weer gepasseerd heeft ga ik iets schrijven over een zeeschip dat Ruinen als thuishaven had. De Stichting Historie van Ruinen vond dit blijkbaar niet bij hun historie passen, want op mijn schrijven over dit schip zweeg men in alle talen.

Een mooie zwoele zomer toegewenst!

Recht zo die gaat!

F.L.Woodleg

Flip